Woordenlijst

In dit vak worden veel woorden gebruikt die buiten het vak niets zeggen, en een paar die iets anders betekenen dan je zou denken. Hieronder staan ze, alfabetisch, met telkens één of twee zinnen.

Het zijn de woorden die op deze site werkelijk voorkomen — niet alles wat in een handboek staat. Namen van ziektes en plagen staan er niet bij; die hebben een eigen pagina.

A – B

Afgrendelen

Wat een boom met een wonde doet. Hij geneest niet zoals wij, maar zet het beschadigde deel af met chemische en fysieke barrières, zodat rot zich niet verder verspreidt. Hoe goed dat lukt hangt af van soort, wondgrootte, leeftijd en vitaliteit. Zie Snoeien.

Autochtoon plantsoen

Bomen en struiken die afstammen van exemplaren die hier van nature voorkomen, en dus een genetische band met de streek hebben. Te herkennen aan het label Plant van hier. Zie Een boom planten.

Bast

De levende laag onder de schors, waar de sapstroom naar beneden loopt. Beschadig je de bast rondom, dan snijd je die stroom door — daarom is maaischade aan de stamvoet ernstiger dan ze eruitziet. Zie De bodem en de stamvoet.

BEA (Bomen Effect Analyse)

Een onderzoek dat vóór werken uitzoekt of een boom die werken kan overleven, en wat daarvoor nodig is. Het formuleren van alternatieven hoort er standaard bij. Zie Bouwen, graven en verharden.

Bodemleven

Alles wat in de grond leeft en de bodem maakt tot wat ze is: schimmels, bacteriën, wormen, insecten. Een boom leeft ervan; organisch materiaal aan de oppervlakte voedt het. Zie De bodem en de stamvoet.

Boombeschermingszone

De zone rond een boom die tijdens werken onaangeroerd blijft — niet rijden, niet stapelen, niet graven. Hoe groot ze moet zijn, hangt af van de boom en niet van wat er toevallig past. Zie Werken naast een boom.

Boomspiegel

De open cirkel rond de stamvoet, zonder gras. Hij houdt de maaier weg en scheelt de boom een stevige concurrent om water. Zie De bodem en de stamvoet.

Boomveiligheidscontrole

Een systematische beoordeling van onder tot boven, met telkens dezelfde vraag: wat kan hier falen, en wat zou dat raken? Het resultaat is een verslag met bevindingen, een advies en een termijn. Zie Zorgplicht en controle.

Boomverzorger, arborist, boomchirurg

Drie woorden voor grotendeels hetzelfde werk. Boomverzorger is de term die het vak zelf hanteert; arborist is het Engelse woord; boomchirurg en boomdokter zijn ouder en verwijzen naar methodes die intussen achterhaald zijn. Zie Hoe heet dit vak eigenlijk?.

C – G

Conditie

Hoe een boom er nú aan toe is: hoe hij uitloopt, hoeveel hij bijgroeit, hoe vol zijn kroon staat. Niet hetzelfde als vitaliteit, wat over zijn vermogen gaat om zich te herstellen.

Demonteren

Een boom stuk voor stuk naar beneden brengen in plaats van hem in één keer te vellen. Dat gebeurt klimmend en met touwen, wanneer er onder de boom iets staat dat heel moet blijven.

Dood hout

Afgestorven takken of stamdelen. In een boom is dat normaal en vaak waardevol: een groot deel van de soorten die van bomen leven, heeft juist dood hout nodig. Zie Dood hout.

Doorwortelbare ruimte

Het bodemvolume waar wortels werkelijk in kunnen groeien — dus niet de grond die verdicht, verhard of vergiftigd is. Meestal is dit het echte plafond voor hoe groot een boom kan worden. Zie Hoe ver reiken de wortels?.

Droogtestress

Wat een boom overkomt als hij structureel te weinig water krijgt: bruine bladranden, vroege bladval, minder groei. De schade stapelt zich over jaren op en is niet altijd meteen zichtbaar. Zie Droogtestress herkennen.

Ecologische velling

Een velling waarbij een torso van enkele meters blijft staan. Het risico is weg, maar de holtes, de bast en het dode hout blijven — en daarmee het grootste deel van de ecologische waarde. Zie Dode, zieke en gevaarlijke bomen.

ETW (European Tree Worker)

Een Europees certificaat voor uitvoerende boomverzorging, te behalen met een theorie- en praktijkexamen en te behouden met bijscholing. Het zegt dat iemand het vak geleerd heeft, niet dat het goed gebeurt. Zie Certificaten.

Gebrekkige zaak

Juridische term uit het Burgerlijk Wetboek: een zaak die door een van haar kenmerken schade kan veroorzaken. Bij bomen draait de discussie meestal om de vraag of een kenmerk normaal is of niet. Zie Wie is aansprakelijk?.

Gesteltak

Een van de zware takken die de hoofdvorm van de kroon dragen. Ze weghalen verandert de boom blijvend; kleinere takken groeien terug, gesteltakken niet.

Groeiplaats

Alles onder en rond de boom waar hij van leeft: bodem, water, lucht, ruimte. De gezondheid van een boom staat of valt er meestal mee. Zie Groeiplaatsverbetering.

H – K

Holte

Een uitgeholde plek in stam of tak, meestal het werk van een zwam. Bij oudere bomen normaal, en voor vleermuizen, vogels en insecten vaak de reden dat ze er zitten. Of ze een probleem is, hangt af van hoeveel gezond hout eromheen zit. Zie Holtes, scheuren en losse bast.

Hoogstammige boom

In de Vlaamse regelgeving: een boom met een stamomtrek van minstens één meter, gemeten op een meter hoogte. Dat is de drempel waarboven er meestal een vergunning nodig is om te vellen. Zie Heb ik een vergunning nodig?.

Houtmuur

Een gestapelde wand van stamstukken en dik hout, die dienstdoet als afscheiding én als leefplek. Een manier om hout ter plaatse te houden in plaats van af te voeren.

Huidmondjes

De microscopisch kleine openingen in het blad waarlangs een boom water verdampt en CO₂ opneemt. Sluit hij ze bij droogte, dan stopt ook de koeling van zijn eigen stam. Zie Wat het blad je vertelt.

Inheems en uitheems

Inheems betekent: hier van nature thuishorend. Inheemse soorten dragen doorgaans meer leven, maar het klimaat schuift sneller dan onze bomen mee kunnen — daarom is méér soorten planten vaak veiliger dan alleen inheems planten. Zie Wat het klimaat verandert.

Inkorten

Een tak of een kroon korter maken. Gebeurt het op een zijtak die de wonde kan overnemen, dan is het verantwoord; gebeurt het op een stomp, dan niet. Zie Toppen, kandelaberen en inkorten.

Kandelaberen

Alle takken tot op korte stompen terugzetten, zodat er alleen een geraamte overblijft. Bij sommige knotvormen hoort het bij de traditie; bij een gewone boom is het een ingreep waar hij zelden goed van wordt. Zie Toppen, kandelaberen en inkorten.

Kapmachtiging

De toestemming van het Agentschap Natuur en Bos om te kappen in wat juridisch een bos is. Iets anders dan een omgevingsvergunning, die van de gemeente komt. Zie Bos, erfgoed en beschermd gebied.

Kluit

De grond met wortels die met de boom mee verhuist bij het planten. Een jonge boom leeft de eerste jaren van wat er in die kluit zit, en dat is de reden dat gieten dan wél helpt. Zie Planten, en de eerste jaren.

Knotboom

Een boom die op vaste hoogte periodiek volledig teruggezet wordt en dat al zijn hele leven gewend is. Stopt het knotten, dan worden de takken te zwaar voor de knot. Zie Opkronen en knotbomen.

Kroonprojectie

De schaduw die de kroon zou werpen als de zon recht boven de boom stond — de omtrek van de kroon, geprojecteerd op de grond. Wordt gebruikt om te rekenen met verdamping en met wortelzones.

M – T

Mulch

Een laag organisch materiaal op de bodem: houtsnippers, compost, blad. Ze houdt vocht vast en voedt het bodemleven. Schors is decoratief en verteert traag; wij gebruiken het zelf niet, maar het is beter dan kale grond. Zie De bodem en de stamvoet.

Omgevingsvergunning

De vergunning van de gemeente die je nodig hebt om een hoogstammige boom te vellen buiten een bos. Een gemeente mag strengere regels opleggen dan de Vlaamse basisregel. Zie Heb ik een vergunning nodig?.

Ontbossen

Bos omzetten naar een andere bestemming. Dat is iets anders dan bomen kappen in een bos, en er geldt een apart en strenger verbod voor. Zie Bos, erfgoed en beschermd gebied.

Opkronen

De onderste takken weghalen zodat er onder de boom ruimte komt. Nuttig langs een pad of een oprit, maar het verplaatst wel het zwaartepunt naar boven. Zie Opkronen en knotbomen.

Overmacht

Juridisch: een gebeurtenis die je niet kon voorzien en niet kon vermijden. Storm is dat niet automatisch — het hangt ervan af of de boom ook zonder die storm al een kenmerk had dat je had kunnen zien. Zie Storm en verzekering.

QTRA

Quantified Tree Risk Assessment: een methode om het risico van een boom in cijfers uit te drukken, door de kans op falen te combineren met wat eronder staat en met de mogelijke schade.

Spinthout en kernhout

Spinthout is het jonge, levende buitenste hout waarin het sap stroomt; kernhout is het oudere hout in het midden, dat geen sap meer voert. Een boom kan zijn kernhout kwijtraken en toch stevig blijven staan. Zie Staat hij nog stabiel?.

Stamomtrek

De omtrek van de stam, in de regelgeving gemeten op één meter hoogte. Het is de maat die bepaalt of je een vergunning nodig hebt, en ze wordt ook gebruikt om de waarde van een boom te berekenen. Zie Wat is een boom waard in euro's?.

Standplaats

De plek waar een boom staat, met alles wat daarbij hoort: licht, wind, bodem, ruimte, buren. De standplaats bepaalt meer over hoe een boom het doet dan de soortnaam. Zie Welke boom, en waar?.

Takkenwal

Een langgerekte stapel snoeihout, meestal tussen palen. Ze ruimt het snoeihout op zonder het af te voeren, en levert onderdak voor vogels, egels en insecten.

Toppen

De top van een boom eraf halen. Het is geen snoeimethode maar een beschadiging: de boom reageert met een dichte bos waterloten die slecht vastzitten, en het gat is te groot om af te grendelen. Zie Toppen, kandelaberen en inkorten.

Torso

Wat er overblijft na een ecologische velling: een stam van enkele meters die blijft staan als leefplek. Zie Dode, zieke en gevaarlijke bomen.

U – V

Uitlichten

Takken uit de kroon halen zodat er licht en wind door kunnen. Verantwoord blijft het zolang de sneden in het spinthout blijven — ongeveer polsdik. Zie Licht en bladval.

Uniforme Methode

De in Vlaanderen algemeen aanvaarde manier om de waarde van een boom in euro's te berekenen. Ze vertrekt van de stamdoorsnede en rekent met factoren voor soort, standplaats, conditie, plantwijze en ecologische of erfgoedwaarde. Zie Wat is een boom waard in euro's?.

Veiligheidsfactor

De verhouding tussen wat een boom kan dragen en wat er werkelijk op hem komt. Snoeien kan die verhouding verbeteren door de krachten te verminderen, niet door de boom sterker te maken.

Verankering

Het vastzetten van een pas geplante boom met palen of ondergrondse verankering, zodat de kluit niet beweegt. Ze hoort tijdelijk te zijn: blijft ze te lang staan, dan maakt de boom zelf minder stevigheid aan. Zie Planten, en de eerste jaren.

Verdichting

Samengedrukte grond, meestal door rijden of stapelen. De poriën verdwijnen, en daarmee de lucht en het water waar wortels van leven. Verdichting is bijna niet terug te draaien. Zie Werken naast een boom.

VETcert

Een Europees certificaat voor het werken met veteraanbomen, in een uitvoerende en een adviserende variant. Zie Certificaten.

Veteraanboom

Een oude boom met kenmerken die alleen de tijd kan maken: holtes, dood hout, een dikke ruwe bast. Niet af te lezen aan de stamomtrek — een boom kan op zijn tachtigste veteraankenmerken hebben en op zijn tweehonderdste nog niet. Zie Oude bomen en veteranen.

Vitaliteit

Het vermogen van een boom om zich te herstellen en op tegenslag te reageren. Een boom kan er matig uitzien en toch vitaal zijn, en omgekeerd.

Vruchtlichaam

Het zichtbare deel van een zwam — de paddenstoel of de consool aan de stam. De schimmel zelf zit al veel langer in het hout; het vruchtlichaam is alleen het moment waarop je hem ziet. Zie Zwammen en paddenstoelen.

VTA (Visual Tree Assessment)

Een methode om een boom visueel te beoordelen door zijn kenmerken op te lijsten. Nuttig, maar ze leest veel natuurlijke kenmerken als gebreken — en daar gaat de sector stilaan van weg.

W – Z

Waterlot

Een steile, snel gegroeide scheut die uit slapende knoppen op stam of tak komt, meestal na een zware ingreep of bij stress. Waterloten zitten zwakker vast dan gewone takken. Zie Toppen, kandelaberen en inkorten.

Wortelzone

Het gebied waar de wortels van een boom zitten. Dat is doorgaans veel breder dan de kroon en veel ondieper dan mensen denken: het grootste deel van de fijne wortels zit in de bovenste halve meter. Zie Hoe ver reiken de wortels?.

Zonnebrand

Schade aan de bast door directe zonnestraling, meestal aan de zuidwestkant. Je ziet de scheuren pas jaren later; de schade zelf is dan al lang aangericht. Zie Droogtestress herkennen.

Zorgplicht

Wat de wet van een boomeigenaar verwacht: omgaan met je bomen zoals een normaal zorgvuldige eigenaar zou doen. In de praktijk drie dingen — af en toe kijken, iets doen met wat je vindt, en kunnen tonen dat je dat gedaan hebt. Zie Zorgplicht en controle.

Zwam

Een houtafbrekende schimmel. De meeste zwammen op een boom zijn geen ramp — welke soort het is, bepaalt wat er afgebroken wordt en hoe snel. Zie Zwammen en paddenstoelen.